|
MET VRIENDELIJKE GROET Deze brief werd geschreven aan Toine Berbers, sinds 1 juli 2001 directeur van het Nederlands Fonds voor de Film. De brief werd geschreven na aanleiding van een interview met hem in de Volkskrant (ergens begin april 2002) waarin hij zich o.a. uitsprak voor het invoeren van een financiele bonus voor geslaagde (= veel publiek trekkende -) films. Dat artikel heb ik niet meer op de site van de Volkskrant terug kunnen vinden. Wel een ander artikel waaruit je min of meer zijn gedachtengoed kan aflezen. Dat hij sprekend over film termen als "core business" en "marktaandeel" gebruikt is op zich niet kwalijk. Dat hij het gebruikt zonder ook maar een glimp van ironie stemt tot nadenken. Toine Berbers Nederlands Fonds voor de Film Jan Luykenstraat 2 1071 CM Amsterdam cc: Felix Rottenberg, voorzitter van het bestuur Amsterdam, 17 april 2002 Beste Toine Berbers, Ik las over uw plannen en ideeën in de krant. Een bonus voor films die veel publiek trekken. Om sterkere productiehuizen te stimuleren, zegt u. Ik heb u vorig jaar in Utrecht in een forum zien spreken en het was mijn indruk dat u een zinnig, enthousiast en innemend mens bent. Maar ik moet nu vrezen dat u toch ook bent aangestoken door de kijkcijferkoorts die, zonder aannemelijke reden, in de kunst- en mediawereld huishoudt. Ik probeer te bedenken wat uw eigenlijke doel moet zijn. Ik kom er niet uit. Mijn ideeën over de verschillende kwesties zijn vrij simpel. De zogenaamde commerciele films moeten, indien dat de wens van de samenleving is, met niet-culturele middelen gestimuleerd worden. Dus met behulp van belastingmaatregelen en andere economische stimuli zoals dat in de relatie tussen overheid en industrie gebruikelijk is geworden. De zogenaamde kunstzinnige films moeten, indien dat de wens van de samenleving is, met daarvoor gereserveerde waardenvrije fondsen worden gestimuleerd. Er dient, met andere woorden, enkel een artistieke en geen commerciele toesting achteraf plaats te vinden. Om een veelvoud van redenen, maar vooral ook omdat de commerciële waarde van dat soort films zich vaak niet na één boekjaar laat bepalen. Het is mijn vrees dat uw fonds, dat ik om duidelijke redenen in de tweede categorie plaats, zich juist in de richting van die eerste categorie beweegt. Het zal u duidelijk zijn dat ik het met die beweging niet eens ben. De politiek wenst misschien dat wij aan het eind van elk parlementair jaar de balans opmaken en kunnen afrekenen, maar in de kunst gaat dat niet altijd op. In mijn vele werkzaamheden kom ik dat steeds weer tegen. Of het nu is in het onderwijs, beeldende kunst fondsen, kunstenaars-initiatieven, en uiteraard ook in mijn eigen werk en leven: het zijn allemaal diepte-investeringen. De waardenvrije fondsen, waarvan uw fonds, ik kan het niet vaak genoeg herhalen, er een is, zijn de enige fondsen die dit soort diepte-investeringen aankunnen. Investeringen niet alleen in concrete plannen, maar ook, en vooral, in mensen en een culturele infrastructuur. Het staat uiteraard een ieder vrij om gelukkig te zijn in dat enge, maar warme universum van het Overbekende. Het is alleen niet mijn universum. In ieder geval niet het enige. Want hoewel ik mij van een groot aantal verschijningsvormen van dat specifieke universum vervreemd voel, vind ik mijzelf er niet buiten staan. Integendeel, ik bemoei mij overal mee en vind dat mijn stem gehoord moet worden. Want al die andere stemmen die unisono spreken hebben we wel gehoord. "Zes miljoen mensen vinden hetzelfde," zeggen de kijkcijfers. De STER wordt misschien heel opgewonden van dat soort berichten, mij laten ze koud. Zoals ik ook vind dat ze u en uw fonds koud zouden moeten laten. Ik zou pas opveren wanneer zes miljoen mensen allemaal iets anders zouden denken. U vind het misschien een ouderwetse gedachte, maar ik vind dat de waardenvrije fondsen, waarvan de uwe er een is, zich moeten richten op de waardenvrije cultuur. Die cultuur dus waarvan niet vantevoren vast staat of zij waardeloos zal blijken te zijn of juist onbetaalbaar. Dat voor dat soort menselijke uitingen over het algemeen geen publiek is betwist ik. Integendeel, het publiek daarvoor is juist groter dan ooit. En de middelen om dat publiek te bereiken en te bedienen veelvoudiger dan ooit. De waardenvrije fondsen dienen die groep te bedienen om daarmee, op termijn, de gehele samenleving te dienen. Kapitaalinjecties in kortstondige successen moeten door een boekhouder worden toegediend. De wijze van stimulering van de waardenvrije cultuur dient op levensbeschouwlijke grondslag te worden geformuleerd. Ik geloof niet dat U een boekhouder bent. Wat mij met name trof in uw in de krant gepresenteerde ideeën was de bijkans totale verontachtzaming van de actuele ontwikkelingen in de filmkunst. U wilt solidere 'produktiehuizen', zegt U. Dat zou ik ook wel willen. Alleen vrees ik dat U bij 'produktiehuizen' aan de grotere producentenkantoren denkt. Mijn idee van 'produktiehuizen' begint evenwel al bij: 1 mens + 1 camera + 1 computer. De filmkunst beleeft een stille revolutie. Voor het eerst sinds haar geboorte is zij in die zin volwassen geworden - zoals de literatuur en bijvoorbeeld de schilderkunst dat al veel langer waren - dat ieder mens haar op zijn eigen voorwaarden kan be-oefenen. Met een voor de liefhebber over het algemeen betaalbare basisuitrusting en geholpen door het nodige talent is het in principe voor een ieder mogelijk om een technisch volwaardige film te maken. Dat dat niet altijd de bekende familiefilm zal zijn lijkt mij duidelijk, maar die veelvormigheid is niets anders dan de manifestatie van een volwaardige kunstvorm. Net als binnen de andere kunstvormen zal er een zeer breed scala van genres onstaan. Meer dan wij nu kennen binnen de film. Wij staan in dit licht bezien nog slechts aan het begin van de filmgeschiedenis. Eenzelfde soort revolutie heeft zich halverwege de twintigste eeuw afgespeeld binnen de wereld van de populaire muziek. Zo'n eenvoudig instrument als een zaalversterker democratiseerde de gehele muziekindustrie. Ik voorspel u een soortgelijke revolutie in de filmkunst. Wat zeg ik: we zitten er midden in. Juist deze ontwikkeling dient u te stimuleren. Meer en eventueel kleinere subsidies aan zogenaamde onafhankelijke filmmakers. Meer steun aan distributeurs die in staat zijn het publiek dat er voor deze films is op te sporen. Stelt U zich voor dat de literatuur zoals wij die nu kennen door zogenaamde 'produktiehuizen' zou zijn 'geproduceerd'. Ik geloof dat wij minimaal 90% van alle nu door ons geliefde boeken hadden moeten missen. Het is de laatste tijd mode binnen de culturele wereld om haar eigen waarde in twijfel te trekken. Onlangs nog die inaugurele kritiek op de 'gesubsidieerde literatuur' van de afgelopen veertig jaar. Nou, dat had me toch een hoop onleesbare boeken opgeleverd zeg! Ik betwijfel het niet. Maar richt uw blik eens op de veel grotere berg afval die in diezelfde periode door de zogenaamde commerciële literatuur werd geproduceerd. Daar loopt de kritiek al vast. Terwijl zij eigenlijk helemaal geen grond heeft omdat men in het alchemistische universum van de kunst niet naar de bakken afval, maar naar dat kleine beetje goud moet kijken. Het zou me daarnaast overigens niet verbazen wanneer het netto economisch resultaat van de gelden die in kunst geinvesteerd worden ver boven het gemiddelde van andere overheidssubsidies liggen. Om de eenvoudige reden dat het enthousiasme en de werklust bovengemiddeld zijn en kunstenaars zich bovendien gemakkelijk laten onderbetalen en niet of nauwelijks georganiseerd zijn. Het stakingsrecht heeft voor de meeste kunstenaars geen enkele betekenis. U zegt in de krant: `Er is behoefte aan producenten die de strijd aankunnen met Amerikaanse films.' Waar u die uitspraak op baseert is mij niet duidelijk want het is mijn ervaring dat het grootste deel van de Nederlandse bevolking juist uitermate tevreden is met die Amerikaanse films, ja, er elke dag wel een zou willen zien. Of er dus behoefte is aan Nederlandse produktiehuizen die de strijd daarmee aangaan waag ik te betwijfelen. Maar als we dan perse de wapens op moeten nemen tegen de Yanks, waarom dan niet met datgene waarin wij beter zijn dan zij? De kracht van het Amerikaanse produktiesysteem is dat zij in staat is reusachtige, vrij homogene groepen aan te spreken en te vermaken. Soms smaakvol, veel vaker smakeloos. Haar zwakte is echter dat zij zich niet kan richten op de relatief kleinere groepen, van minder homogene samwstelling. Simpelweg omdat het vanuit hun achtergrond economisch niet haalbaar is. Het is een misverstand dat wij de de Amerikanen zouden kunnen verslaan door door net als zij te worden. Menige oorlog in de recente geschiedenis levert daarvoor het bewijs. Juist in de diversiteit en de relatieve kleinschaligheid - mits gesteund door een effectieve promotie - gaat de kracht van de Nederlandse en Europese film schuil. Daarnaast zijn er voor mensen met andere ideeën podia genoeg om die te slijten. Nogmaals, ik herken in het stimuleren van dit soort bewegingen te geen taak voor uw fonds. Mijn vraag aan u is of u op de hoogte bent van de hierboven beschreven revolutie in de filmwereld. En in dien u die vraag bevestigend kunt beantwoorden, wat u denkt dat de rol van uw fonds daarin kan zijn. U hebt gelijk dat er iets moet veranderen. Maar ik ben bang dat u bepaalde zaken misschien over het hoofd ziet. En hoewel ik, tenslotte, liever kunst maak dan dat ik er over praat, vind ik deze zaak vanwege haar fundamentele karakter dermate belangrijk dat ik graag tijd vrijmaak om, indien u zich daartoe door deze brief gestimuleerd voelt, met u hierover verder van gedachten te wisselen. Met vriendelijke groet, Dick Tuinder, 2002. back<<< |
copyright 2001 dick tuinder / silent woods industries