POEME ELECTRONIQUE #2



Deze voordracht werd uitgesproken bij de officiele onthulling van een kunstwerk van Giny Vos voor Philips NV, op de 14-de verdieping van de Breitner Toren in Amsterdam. De titel van het werk luidt "Poeme Electronique 2" en verwijst daarmee naar de legendarische opstelling die in 1958 voor datzelfde bedrijf door le Corbusier, Varese en Xenakis in Brussel werd gemaakt.
Al mijn goede bedoelingen en oproepen aan de directie ten spijt blijkt de kunst in het gebouw, naast het werk van Giny Vos en een redelijk geslaagde Ferdinand Bol, voornamelijk te bestaan uit geleende kunst van de allerdroevigste soort.
Philips doet aan sport (PSV) en laat zich in de ontwikkeling van nieuwe ideeën inspireren door doelpunten en spelhervattingen.

Een van de aanwezigen vertelde mij achteraf dat hij mijn toespraak had getimed en dat ik, in tegenstelling tot wat ik in mijn inleiding aankondigde, het geheel binnen exact acht minuten presenteerde.

Amsterdam, 10 juni 2002



Geachte aanwezigen,

Graag had ik mijn toespraak van vandaag binnen de destijds door Le Corbusier gestelde tijdsduur van acht minuten gehouden. Had ik de assistentie gehad van Edgar Varese, dan was dat misschien gelukt. Maar ik kan helaas niet over de beknopte taal van de muziek beschikken, en moet mij behelpen met woorden. Het is derhalve dat ik niet acht, maar ongeveer twaalf minuten van uw tijd en aandacht nodig heb om dit verhaal tot een goed einde te brengen.

Zoals de wijnkenner, geblindoekt, en puur op zijn geur- en smaakzintuigen koersend, de herkomst van een wijn kan proeven, zo moet het voor de ontvankelijke lezer mogelijk zijn om de herkomst van een beeldspraak te bepalen. De beeldspraak wordt immers altijd samengesteld uit elementen die een in haar tijd herkenbare en betekenisvolle hybride opleveren.

Laten we ter illustratie van deze gedachte de beeldspraak Het Electronische Gedicht op onze tong leggen.

De electriciteit waarvan in dit beeld indirect sprake is, immers, geen elektronica zonder electriciteit, is niet dezelfde als die waarvan het bestaan al in de oudheid werd geconstateerd. Er bestond het vermoeden van een electrische vloeistof die door bijvoorbeeld een stukje barnsteen tegen je berenvel te wrijven kon worden geactiveerd, met het bekende statische effect als gevolg. Een magische truc, een wonder, dat echter op geen enkele manier te reproduceren viel, anders dan met dat stukje barnsteen en datzelfde berenvel. Het wonder zat gevangen in de steen.
Omdat het tweede woord uit de beeldspraak, gedicht, een scheppende handeling impliceert, moet het dus wel stammen uit de tijd dat de electrische vloeistof overgietbaar werd. Dat men er, met andere woorden, mee kon schrijven. Wanneer we de herkomst van deze beeldspraak dus willen determineren dan beperkt ons zoekgebied zich grofweg tot de afgelopen eeuw.
De elektrische eeuw.
De eeuw der apparaten.
Aangedreven door de onzichtbare, niet tastbare en geurloze vloeistof, elektriciteit.


De beeldspraak is dus vrij nieuw, maar heeft tegelijkertijd iets archaïsch. Ze ruikt naar bakeliet. Naar het geheimzinnige parfum van gloeiende transformators. Ze klinkt als het zijdezachte getingel van een dode gloeilamp. Ze stamt dus uit een oertijd die sommigen hier aanwezig misschien nog als pasgeborenen hebben meegemaakt. De tijd waarin de Jonge Onderzoeker, zijn soldeerbout als een ganzenveer in de hand geklemd, met een eenvoudige printplaat en een paar koperdraadjes, zijn elektronische gedicht kon schrijven. Uit de tijd ook dat wetenschappelijke formules de beknoptheid van een haiku en de overtuigingskracht van een slogan hadden. Uit de tijd dat het elektrische theater heel overzichtelijk uiteenviel in twee elkaar voortdurend tegenstrevende partijen van Plus en Min. Protonen en elektronen. Uit de tijd dat de elektronische poezie nog niet verstoord werd door de verwarrende kennis van Quarks en nog kleinere deeltjes. En dus ook uit de tijd dat het potentieel van mogelijkheden nog op geen enkele wijze gefrustreerd werd door de kennis van de beperkingen.

Een mooie, stormachtige tijd moet het zijn geweest. Een tijd die de psyche van de adolecent in de herinnering roept. Een tijd als een jonge dichter, in al zijn vezels geconcentreert, gebogen over het nog onbepaalde universum van zijn maagdelijke schoolschrift.

Elke technische of wetenschappelijke sprong vooruit kent deze puberale fase. Een fase waarin elke gedachte op termijn realiseerbaar lijkt, een fase waarin 1 individu in grove pennestreken het aanzicht van de toekomst van miljoenen kan schetsen. De meest recente manifestatie van dit fenomeen zagen we een aantal decennia geleden in de informatica.
Jonge, onbegrepen, slecht geknipte en vaak eenzame jongens, die, onmachtig zich op een andere wijze te uitten, in een zelfverzonnen taal hun hardverscheurende poezie schreven:
IF->THEN->GOTO->ENTER.

Niemand kon destijds de revolutionare waarde van die abstracte bekentenis-literatuur vermoeden. Omdat die digitale poezie, net als de elektrische destijds, nog gevangen zat in een stukje steen: "Leuke truc, erg aardig allemaal, maar wat heb je er aan?"
Nog geen twintig jaar later worden wij aan alle kanten omringt door apparaten en systemen die reeds in dat epische gedicht, die Eddah van onze tijd, werden beschreven.

Waar wetenschappelijke uitvindingen in hun praktische toepassing op ten duur altijd iets van hun oorspronkelijke poezie verliezen, "Oh, je bedoelt een strijkbout!" is er een andere wereld van uitvindingen waar de kracht van de poezie nooit verloren gaat. Dat is de wereld van de kunst.
En de reden voor de eeuwige waarde van de kunst ligt besloten in het paradoxale gegeven dat zij in essentie nutteloos is. Als de twee rudimentaire polen van de elektriciteit houden de nutteloosheid en de eeuwige waarde elkaar binnen de kunst in evenwicht.

De muziek van, ik noem maar iemand, Anton Webern, is zo aangrijpend en van eeuwige waarde omdat je er nog niet de kleinste strijkbout mee aan de praat kan krijgen.
Tenminste, niet direct. Maar er bestaat wel een anderssoortige, niet minder dwingende relatie tussen bijvoorbeeld strijkbouten en muziek. En in algemene zin tussen poezie en apparaten.
Ik kan u dit alleen maar via een kleine omweg uitleggen.

Een samenleving die zijn kunst en kunstenaars koestert, en waarin dus aan het nutteloze een bepaalde waarde wordt toegedicht, is een sterkere samenleving dan die waarin men zich beperkt tot het strikt noodzakelijke.
Kunst is een oefening in denken. Het scherpt de zintuigen, en maakt ze ontvankelijk voor dat wat buiten hun directe bereik valt. Het laat ons dingen zien en horen die de werkelijkheid voor ons verborgen houdt.

Zonder dat ik u zou kunnen aangeven wat uw voordeel daarbij zou zijn, staat het u uiteraard vrij met mij van mening te verschillen, maar ik weet zeker dat de microchip niet voorstelbaar was geweest zonder de formulering en visualisering van het idee van het kubisme die daaraan vooraf ging. En ook ben ik er zeker van dat de uitvinding van de drietrapsraket waarmee naar de maan werd gereisd onmogelijk zou zijn geweest zonder de symphonieën van Gustaf Mahler te kennen. Zonder deze 'toevoegingen aan de werkelijkheid' zou men eenvoudig nooit op de gedachte van die uitvindingen zijn gekomen.

Zoals het wijnproeven waarover we in het begin van dit verhaal spraken geen discipline is die men aan de door Pepsi en Megaburgers dichtgeslibte smaakpapillen van de massa moet overlaten, zo dient ook de kunst behoed en gekoestert te worden door de geoefende geest. Omdat alleen een geoefende geest haar kan herkennen.
Zou men bijvoorbeeld onder de bevolking van de Italiaanse stadstaten in de veertiende en vijftiende eeuw een referendum over het kunstbeleid hebben gehouden, dan had de erfenis van de Renaissance uit vermoedelijk niet meer bestaan dan drie volksdansen, twee scabreuze gedichten en een goeie mop waarvan wij de humor niet meer zouden kunnen begrijpen. Godzijdank heeft dat referendum nooit plaatsgevonden en was het kunstbeleid een zaak van een aantal machtige ingewijdden.
Te denken dat die miljoenen dukaten en florijnen destijds werden uitgegeven ten bate van puur kunstgenot, puur esthetische vervoering, lijkt mij een overromantische en slechts zeer zijdelings aan de waarheid gerelateerde gedachte. Lorenzo de Medici koesterde kunst omdat hij daar zelf beter van werd. Sterker, slimmer en machtiger dan de vele andere kunstpausen die zijn macht betwistten.

Die willekeurige aristocratie is inmiddels uit onze samenleving verdwenen. Zij heeft plaats gemaakt voor een nieuwe aristocratie: een van multinationale ondernemeningen die niet door bloedsbanden, maar door wederzijdse aandelenportefeuilles en fusies aan elkaar gerelateerd zijn. Het is nu aan hen om het belang, de noodzaak van kunst, te herkennen. Niet alleen, nogmaals, uit een vaag gevoel van maatschappelijke relevantie, of uit een behoefte aan esthetische vervoering, maar uit puur eigenbelang.
Eigenbelang, omdat de uitvindingen en de ideeën van de toekomst, waaraan deze nieuwe aristocratie haar bestaan dankt, eenvoudigweg niet voorstelbaar zullen zijn zonder de kunst van nu.

Het is dan ook, denkend aan uw belang, dat ik de directie van dit mooie bedrijf adviseer een nog groter bedrag vrij te maken voor een risicovol kunstbeleid. De fysieke manifestatie van dat beleid zou een klein paleis kunnen zijn, dat in navolging van die andere legendarische proeftuin het WATlab zou moeten heten. Want vooraleerst we in het NATlab gaan nadenken over het HOE, dienen we in een eerder stadium na te denken over het WAT.

En het antwoord op die vraag gaat verscholen in het struikgewas der kunsten, in het knisperende netwerk van het electronische gedicht, waarvan wij hier de officiele onthulling vieren. Ik dank u voor uw aandacht.

Dick Tuinder, 2002.


back<<<

copyright 2001 dick tuinder / silent woods industries