Inleiding van De Redactie

Op verzoek van de redactie zou filmmaker en kunstenaar Dick Tuinder een artikel schrijven over de wisselwerking tussen film en commercials. Door een misverstand waarvoor de redactie geen blaam treft vatte de schrijver zijn opdracht verkeerd op en schreef hij een onbegrijpelijk en met krankzinnigheid flirtend betoog. Geschrokken van deze inhoudelijke ontsporing, maar geintrigeerd door de virtuoze stijl waarin die was gevat, moedigden wij hem aan het nogmaals te proberen. Ook deze tweede poging werd niet met onverdeeld genoegen ontvangen. Maar met zijn woedeaanval die volgde op ons verzoek zijn eerste stuk te herschrijven nog vers in het geheugen, was het duidelijk dat een derde re-write geen optie was.
Het komt niet vaak voor dat wij, als redactie, een stuk plaatsen waar wij niet honderd procent achter staan. Soms echter moet je afwijken van de regels die je jezelf gesteld hebt. In het onderhavige geval zijn daar een aantal redenen voor te bedenken.
Ten eerste natuurlijk omdat, wat je ook van de man en zijn werk mag vinden, Dick Tuinder een uniek fenomeen is in de Nederlandse wereld van media en kunst. Een stem die niet alleen vanwege de inhoud, maar ook vanwege de melodie van zijn betoog gehoord moet worden. Daarnaast is het de mening van de redactie dat Credits een podium moet zijn voor verschillende meningen. En last, but definitely not least, denken wij er goed aan te doen de tekst van Dick Tuinder te plaatsen als waarschuwing aan al die creatieven die denken het beter te weten en van een carriere als kunstenaar dromen. Hoe makkelijk kan zo'n droom in een nachtmerrie eindigen! Een nachtmerrie waarin megalomanie, eenzaamheid en overmatige masturbatie voortdurend met elkaar in gevecht zijn om de hoofdrol. Wat kunnen wij anders zeggen dan: oordeel zelf!




Tussen Film en Commercials

of

over het verschil tussen mooi pijpen en lekker klaarkomen.

Juist op het moment dat ik had besloten mij weer volledig aan de kunst te wijden en geen lollige, altijd te weinig opleverende uitstapjes naar de zogenaamde echte wereld te maken wordt ik door de hoofdredacteur van dit blad opgebeld met de vraag of ik een stuk kan schrijven over de relatie tussen Film en Commercials. Ik ben uiteraard op mijn hoede. Ik moet mijn kunst bewaken. De grote film die er aan komt, de serie prenten die om voltooiing schreeuwt.
"O ja? En hoeveel woorden dan?"
"Tweeduizend."
Ik herinner me de woordzuinigheid bij kranten en ben blij verrast.
"Dat is behoorlijk."
De hoofdredacteur gooit er nog een schepje bovenop: "Het mogen er ook vijftienhonderd zijn, of vijfentwintighonderd."
"En hoe heet dat blad ook weer?"
"Credits."
"En hoeveel credits per woord betalen jullie?"
"Vijftig cent."
"Hm, dus een halve credit per woord."
Ik denk razendsnel na. Kijk op de klok. Het is half twee. Eigenlijk moet ik kunst maken, maar als het mij lukt om op losse toon drieduizend woorden op papier te zetten, dan is dat toch snel vijftienhonderd credits verdient in tweeeneenhalf uur. Voorwaarde is natuurlijk zoveel mogelijk woorden te gebruiken, dingen liever drie- dan tweemaal uit te leggen. Die ene volkomen afdoende beeldspraak te laten volgen door nog een en nog een.
Ik krijg twee nummers opgestuurd, gratis, dus dat zijn weer wat credits er bij, en blader geamuseerd door de wereld waar ik ooit een half jaar als semi-creatief in rondwandelde. Ik herken het oeverloze wit en de gezellige prietpraat in de kantlijn. Ik ruik aan de volstrekte belangeloosheid van het drukwerk en ik ruik geld. Ik krijg visioenen van een prettige samenwerking. Dood aan de eindredacteuren van die kwaliteitskrant die struikelen over elke persoonlijke mening. Die strenger zijn dan Schotse rechters waar het de bewijslast betreft. Die, vechtend voor elke millimeter tekstruimte, genadeloos in je mooiste alinea's hakken, waardoor je niet alleen minder credits krijgt dan je had gehoopt maar je tekst ook nog eens onleesbaar is geworden. Bij het zien van al dat functionele wit in het blad Credits voel ik een opwinding die een architect moet voelen wanneer hij, na jaren in de Randstad met vierkante meters te hebben gewoekerd, opeens een juist drooggevallen polder krijgt aangeboden met de opdracht: "Zie maar." Ik begin als een razende te schrijven en tel om het half uur de woorden en mijn honorarium. Kort na vijfen bereik ik de drieduizendwoorden grens. De huur is betaald, mijn zoon Parker heeft een nieuwe blokkendoos gekregen en niemand die er tijdens de premiere van de film, drie weken later, iets van merkt. Ik stuur mijn ruwe tekst op en beloof er een paar weken later, als de film af is, nog even naar te kijken.
Ik ben uiterst tevreden met mijzelf en de wereld.
Filmfestivals van New York, Oslo, Taipei en Perugia boeken mijn film. Alles gaat goed. Producenten en geldschieters die ik jarenlang niet heb gezien kennen mijn naam nog en worden enthousiast van mijn enthousiasme over de film. Terwijl enkel nog het eerste deel van deze mega-produktie af is, lijkt hij al niet meer stuk te kunnen. Tot mijn verbazing laat "Selfportrait of the 20th Century as a Brain" zich ook nog eens uitstekend "pitchen", een kunst waar ik nooit het nut van heb ingezien en die ik daarom nooit heb beheersd.
Iedereen knikt begrijpend wanneer ik aan het slot van mijn tweeminuten-betoog kom.
"Stel je voor. Je perst de gehele twintigste eeuw samen in een stel hersenen, en die hersenen, die aan een soort intensive-care unit liggend in leven worden gehouden, beginnen met een Proustiaanse flash-back. Je maakt van de twintigste eeuw een persoon en die persoon schildert, in beelden en abstracties en teksten en muziekflarden een zelfportret."
Ik begin te geloven in het gewicht van de schouderkloppen, in de juistheid van mijn onderneming. Ik kan heel even alles aan.
Mijn leven veschilt echter niet zo heel veel van een Grieks drama. Na de climax komt de anti-climax. Het moment van verstilling en herörientatie. Vrolijk fluitend liep ik hem tegemoet, die anti-climax, toen ik nog even mijn tekst voor Credits doorliep.
Het begin was helder. Niets aan de hand. De eerste honderd Euros kon niemand mij meer afnemen. Maar ho, wacht eens even, wat gebeurde hier? De ene onbegrijpelijke wending volgde op de andere. Ik moest gek aan het worden zijn, of nog katerig van de premiere. Ik snapte niets meer van mijzelf.
Waar ging het mis? Waarom had de tekst die voor de lezer van het blad Credits nu grotendeels wordt afgeschermd door deze ontboezeming geen middelpunt, geen begin en geen einde. Waarom kon ik niet een heel evenwichtig verhaal schrijven over de relatie tussen Film en Commercials?
Nu, vechtend tegen een echte deadline van drie uur, wordt ik gedwongen te erkennen dat het haat was die mij dwars zat. Want ja, ik haat commercials en ik haat de reclamewereld. Ik haat de zelfingenomenheid van de zogenaamde "creatieven". En ik moet woest zijn geworden van de wensgedachte die ik vermoedde achter die zo losjes geformuleerde vraag over de overeenkomst tussen film en commercials. En die wens is natuurlijk dat de twee naar elkaar toegroeien en dat waar er sprake is filmkunst we eigenlijk ook zouden moeten kunnen spreken van commercialkunst. Ik had de vraag natuurlijk heel nuchter kunnen benaderen en dat inzichtelijke stuk kunnen schrijven, maar wanneer het op reclame aankomt denk ik niet meer helder en schiet ik in een onderwerpgebonden psychose. Er is natuurlijk wel het een en ander voor te zeggen. Reclame als kunstvorm. En met veel moeite en enkel gestimuleerd door het idee dat ik alle "pro's" verderop in de tekst keihard zou pareren met "con's" van veel groter gewicht perste ik er een aantal vergelijkingen uit:

"Er is veel voor het idee te zeggen dat reclame een kunstvorm is. Er zijn in ieder geval een aantal opmerkelijke parallelen aan te wijzen. Het moderne reclamebureau vertoont veel overeenkomsten met het klassieke atelier van de kunstenaar waarin een of meerdere meesters samenwerkten met een aantal gezellen. De een was goed in landschappen schilderen, dus die schilderde de landschappen. Een ander was weer goed in portretten, die had weer veel verstand van stillevens en een vierde kon werkelijk de meest fanatstische en levensechte draperieën uit zijn penseel toveren. Het eindproduct was, zoals de moderne reclamefilm, een Gesamtkunstwerk. Niet door individuele makers, maar door een atelier gesigneerd.
Daarnaast is de commercial ontegenzeggelijk bepalender geweest voor de perceptie van de laat twintigste eeuwse mens dan de witter-dan-witte schilderijen van Jan Schoonhoven. Als bijna onontkoombare verbeelder en aanjager van maatschappelijke veranderingen, kent zij zelfs een publiek van liefhebbers die haar, los van het verkooppraatje waardeert en enthousiast meestemt in de Gouden Loekie Award. Hell! Zelfs overheidsboodschappen van Postbus 51 worden in de rappe, tongue in cheeck voertaal van de televisiecommercial gebracht. "

Een leuke gedachtensprong. Wat is het probleem? Het probleem zat hem in weer een volgende alinea, waarin woede over de geld-over-de-balk smijtende leeghoofden die ook op een zeldzame coke-vrije zondagochtend nog enorm content met zichzelf blijken te zijn, het zicht op de strekking van mijn verhaal ontnam. Een woede die natuurlijk uiteindelijk haar oorsprong vindt in het machteloze besef dat ik een veel betere copywriter ben dan velen van hen, maar gewoon niet bij machte om mij tot "het publiek" te verhouden. Niet bij machte ben de onzin serieus te nemen, de wereld van leugen en bedrog, van belachelijke salarissen, van krankzinnige budgetten, van Lions', Snickers en Nokia's te begrijpen. Zelfs niet tijdens mijn meest uitbundige momenten van relativering en vrolijk nihilisme. Want ook dan moet ik weer terugdenken aan die miljoenenkostende en volstrekt mislukte megacommercial waaraan ik ooit mijn medewerking verleende. Of aan die nachtmerrie-achtige brainstormsessies in Club Baby waarvoor ik werd uitgenodigd. Indien alle kerkklokken in Nederland terzelfdertijd zouden worden bespeeld door ingevlogen gorilla's: die kakfonie zou een balsem voor de oren zijn geweest vergeleken met de diepe stilte die wonderboy Rene Eller op elke snuggere suggestie liet volgen. Ik kreeg een paar avonden de tijd om naar deze succesvolle zombie te kijken en de essentie van zijn wezen te doorgronden. En het was niet vanwege de pittige Tom Yam soep dat ik klam zweet op mijn voorhoofd kreeg toen ik na lang denken niet meer om de conclusie heen kon: succesvol commercialregisseur wordt je niet vanwege een talent, maar juist vanwege een gebrek aan dat talent. Niet door heel hard na te denken, maar juist door het tegenovergestelde te doen. En nu, terwijl ik dit weer opschrijf, herinner ik me een gesprek dat ik onlangs met een jongere filmregisseur had, die in het verleden nog wel eens voor mij gewerkt heeft, maar die inmiddels een aantal televisiefilms op zijn naam heeft staan en dus "lekker bezig" is. Ik vertelde hem dat ik niets meer moet hebben van dramaturgen, producenten, script-editors en dergelijke. Dat ik ben opgehouden me aan te passen. Waarop hij zegt: "Soms moet je je een beetje aanpassen om te doen wat je wilt doen."
Nog niet eens halverwege de dertig is hij, en nu al een oude man. Ik krijg weer dat hersenbloedingsgevoel in mijn hoofd. "Maar hoe kan je nou zeggen dat je doet wat je wilt doen als je je, zoals je ook zegt, terzelfdertijd "een beetje aanpast?!"
Hij kan over mijn woedeuitbarsting echter gerust zijn schouders ophalen, gesteund als hij wordt door de naar Amerikaanse model gesneden herbezinning die de afgelopen vijf-zes jaar de Nederlandse filmwereld in haar greep heeft. Hollywood guru's werden overgevlogen om Nederlandse filmmakers in te wijden in de geheime schema's van plots, scenario's, karakter-quota's ("nooit meer dan drie karakers!"), en de verschillende "How to" bijbels stukgelezen. Opeens had niemand het meer over kunst, of een persoonlijk motief, maar over "pitchen", plotgerichtheid en, Godbetert "maatschappelijke relevantie". Films moesten gaan over dingen waar "de mensen" zich toe konden verhouden. De omroepen gingen zich er mee bemoeien en een heel leger van dramaturgen (lees: censors) ging zich bezig houden met het toetsen van de maatschappelijke relevantie van de te maken film. Ik heb daar destijds, een jaar of vijf geleden, een erg vermakelijke briefwisseling over gevoerd met een dramaturge van de NPS. Mijn verzoek aan haar was onder andere mij voor eens en voor altijd uit te leggen wat "maatschappelijke relevantie" nu precies was. De correspondentie eindigde in een scheldpartij van haar kant met als slotzin dat de afdeling film van de NPS nooit meer iets met mij te maken wilde hebben. Het gaat sindsdien een stuk beter met mij, maar dat is nu even niet van belang. Waar het om gaat is die filmregisseur die ik laatst tegenkwam.
En natuurlijk is het een lieve jongen die geen vlieg kwaad doet, en natuurlijk overdrijf ik, maar opeens werd mij heel duidelijk waarom opeenvolgende bezetters door de eeuwen heen Nederland altijd zo'n fijn land vonden om te bezetten. Gek gemaakt door het vooruitzicht op een miljoenenpubliek waarvoor ze nu opeens geen minachting meer, maar zelfs een vorm van respect mogen tonen, gaan ze aan de slag en filmen hun allochtone randgroepjongeren, hun ongewensd zwangere meisjes van 16, en al die andere maatschappelijk relevante karakters. En ook de wereld van de commercials waarvoor men altijd zijn neus ophaalde, mag zich in een plotselinge aandacht van de onafhankelijke filmmakers verheugen. Met een geheel eigen op hedonistische leest geschoeide vorm van post-modernisme. Het is allemaal ook zo begrijpelijk. Waarom zou je je leven in de Bijstand doorbrengen wanneer je met een paar commercials per jaar op eigen benen kunt staan? Geld is niet vies, concessies moet je toch doen en steeds meer mensen doen het. Dus waarom ik niet? Dat is de gedachtengang. En natuurlijk de veelgehoorde bevrijding dat het "té gek" is om eindelijk eens op volle oorlogssterkte, gewapend met 35 millimetercamera, een crew van vijftig man en tweehonderd Poolse figuranten een film te maken. Nu ja, een rolletje drop te filmen. Maar wel té gek, natuurlijk.
Men noemt het Cultureel Ondernemerschap, waarbij men nooit mag vergeten te vermelden dat ook de grote Bach er zijn hand niet voor omdraaide om voor welke gelegenheid dan ook een canate of een mis in elkaar te bakken. En dus is het bon-ton geworden voor filmmakers om commercials te regisseren. Een filmregisseur maakt, als hij geluk heeft, één film per vijf jaar. Meestal komt zo'n film niet uit de kosten en als hij al winst maakt is het slechts zelden dat de regisseur in die winst deelt. Er moet gewoonweg brood op de plank en dat is, vanuit het perspectief van de makers, het belangrijkste argument om dan in Godsnaam maar twee keer per jaar een hamburger of een pak waspoeder onder de 35mm camera te leggen. En de gedachte is verleidelijk dat die "input" van onafhankelijke filmmakers de taal van de commercials enorm heeft verrijkt. Maar de mop is dat het er nauwelijks toe of het grootste visuele of dramatische genie zich buigt over een commercial. Het systeem van creatieven, script-docters en de toetsing aan marktonderzoeken draagt er zorg voor dat die individuele visionair onzichtbaar blijft. Het idee dat een commercial gemaakt wordt door een beroemde filmregisseur dient, vanuit het perspectief van het reclamebureau, maar één doel: indruk maken op de klant waardoor die nog meer geld kan worden afgetroggelt. De belichting op het bierblikje staat toch allang vast, zoals er ook niet te tornen valt aan het idee dat er in een effectieve commercial, naast een x-aantal gewone mensen, minstens 1 lekker wijf, 1 neger en als het even kan een paar guitige kinderen rondlopen in een wereld waar het qua lichtval altijd een uur of half acht 's avonds op een zomerse dag is. Reclame is, hoeveel Lampen er ook aan artistiek bevlogen copywriters worden uitgedeeld, een trendvolgende en niet een trendzettende industrie. Ja, soms lukt het iemand om onder deze omstandigheden iets werkelijk grensverleggends te maken. Zo iemand heet dan bijvoorbeeld Bach. En de huidige lichting Cultureel Ondernemers mag zich daar misschien graag mee vergelijken, maar Bach wás Bach en niet een meefluiter.
Op dit punt in het verhaal aangekomen staat er achter in de zaal iemand op en vraagt het woord.
Of de schrijver van dit stuk wel eens van de Hallo Academie heeft gehoord, waar jonge mensen - met onder hen opvallend veel voormalig kunstenaars of kunstacademiestudenten - een opeiding tot reclame maken kunnen volgen? Godzijdank, hij is toch gekomen, die vraag. Kan ik eindelijk voor een groot publiek die grap met dat Haagse accent maken: "De Hallo Akademie? Ja, Daôg!" Toevallig zit op dit moment Bert, mijn fietsenmaker, naast mij. Ook hij kent de zuigkracht van de Hallo Academie.
"Een groot aantal fietsenmakers heeft het vak opgegeven en probeert nu zijn geluk in reclame," sombert Bert. "Het is ook een vrij zwaar en eenzaam beroep, de fietsenmakerij. Elke dag weer sta je d'r alleen voor. Maar die lui die het opgeven, dat waren toch bijna nooit fietsenmakers in hart en nieren, hoor. Job hoppers zijn het, windvaantjes die op het moment dat er één spaak slap gaat staan, zich direct klem gereden voelen. Maar die paar honderd wouldbe-fietsenmakers kan je niet echt een aderlating van tweewieler-branche noemen. Het is een bekend verschijnsel. Tien jaar geleden verhuisden ze naar het Maatschappelijk Werk, nu worden ze IT-er of "creatief".

En dit beste lezer, was de reden van mijn woede. En de reden waarom u nu deze ontboezeming en niet een gedegen en opbeurend stuk over de relatie tussen film en commercial kunt lezen. Mooi toch dat je uiteindelijk je fietsenmaker nodig hebt om het je allemaal duidelijk te maken. Vervang in het voorafgaande het woord "fietsenmaker" door "kunstenaar" of "filmmaker" en je bent er. Ik dacht dat ik de kunst moest verdedigen tegen de reclame. Tegen de domheid. Tegen de hebzucht. Tegen het pragmatisme. Tegen de buiging voor "het publiek". Tegen de moraal-loze moraal. Terwijl ik me nu pas, de deadline al enkele uren overschreden, realiseer dat ik helemaal niets hoef te verdedigen, of aan te vallen wat dat betreft. Vreedzame coëxistentie, Poldermodel, panta rei: geef er maar een naam aan.
De relatie tussen commercials en film? Ach meneer haalt u zich toch niets in uw hoofd. Kijk, er zijn mensen die van stront nog mooie dingen weten te maken, maar voor het overige moet iedereen zijn mond houden. En ik al helemaal. Reclame is een ambacht zoals de prostitutie een ambacht is. Het belangrijkste is daarbij niet dat je heel mooi en artistiek kan pijpen, maar dat de klant geweldig lekker klaarkomt.
Is de commercial een soort film? Is het een kunstvorm? Laten we het nog eens van een andere zijde bekijken. In Amsterdam zijn op een zaterdagavond ongeveer 5000 hoeren aan het werk. Die bedienen bij elkaar zo'n 50.000 klanten die, met aftrek van dronken voetbalsupporters, zo'n 48.000 keer klaarkomen. De kans dat er temidden van die enorme stroom sperma een groot kunstenares aan het werk is is minimaal, maar uitsluiten kunnen we haar nooit.
Voor de filmmaker die geen concessies wil doen, en absoluut zeker wil zijn van de zuiverheid van zijn werk rest er maar één alternatief en dat is masturbatie. Hij zal moeten leren leven met een klein publiek, moeten leren leven met de kans dat hij er helemaal naast zit, dat het volslagen krankzinnig en waarachtig irrelevant is wat hij met zijn leven heeft gedaan, maar mijn God: wát een respons uit de zaal!
Drugs kunnen daarbij van pas komen, maar zijn niet, zoals bij de reclame, essentieel voor het gevoel van totale bevrediging.

Dick Tuinder

Over de auteur

Wie het over Dick Tuinder (Hawaii, 1963) heeft, heeft het over tien- en misschien nog wel meerdere personen. Sinds jaren brengt hij zijn uiteenlopende activiteiten als schrijven, kunst, journalistiek werk, film enz. onder bij evenzovele alter-ego's. Wij noemen: Willem Halbertsma, een 74 jarige oud-politicus en schrijver van klankgedichten ("Gark Pydoe!" "Finsterwoens" "Fabroes de Walgdeboel" enz.) over wiens leven Tuinder zelf nu weer een biografie heeft geschreven en Jacky vander Snaak, spraakmakend kunstcritica uit het eind van de jaren tachtig die tevens opzien baarde met haar gewelddadige en meestal naakte "akties", maar toch vooral beroemd is vanwege haar vele relaties met andere grootheden uit de kunst, waaronder, het zal niemand verbazen, Tuinder zelf. Voor het overige, de bekendste namen: Ramon dos Santos, Davy Dave, Tanja Bazel, Bobby B. Nimmerhoff, Jacques Meijer.
Onder zijn, vermoedelijk, eigen naam is Dick Tuinder vooral bekend vanwege de tentoonstellingen die hij maakte, de boeken die hij schreef, de films die hij regisseerde en de ruzies die hij maakte. Hij is, samen met Maarten Ploeg, uitvinder en ontwikkelaar van de TV-Matic, de exponent van wat zij noemen "Artificial Stupidity".
Momenteel werkt hij aan "Portrait of the 20th Century as a Brain", een naar verwachting uiteindelijk vier uur durende film die in verschillende wereldsteden zal worden opgenomen en, in delen, gepresenteerd.
Eerstvolgende vertoningen/opnames: maart 2001, New York Underground Film Festival, juni 2001, Holland Festval, Amsterdam. (zie voor een pitch van de film het artikel.)

Dick Tuinder, 2001.


back<<<

copyright 2001 dick tuinder / silent woods industries