|
MAL VOOR EEN GOUDMIJN Een bezoek aan het Mooiste Schilderij ter Wereld Ongeveer zeven jaar geleden zag ik de Toren van babel van Pieter Bruegel de de oudere voor het eerst in het museum. Sindsdien staat het hoog op mijn shortlist van meest favoriete kunstwerken. Herinneringen zijn geen objectieve of betrouwbare verslaggevers. Het zit in hun aard om na langere periode te gaan gisten, van vorm en substantie te veranderen, zichzelf rijker voor te doen dan ze waren. Ik heb sinds die eerste keer het schilderij nog een aantal keren in het echt gezien en meerdere malen in reproductie. Soms lukt het me hetzelfde hulploze en tegelijk blije gevoel van die eerste ontmoeting te doen herleven. Kort na de eerste ontmoeting zag ik het schilderij terug in een foto van Braziliaanse goudmijnen. Een reusachtige trapvormige open kuil waarin duizenden nauwelijks als mens herkenbare stipjes krioelden, op zoek naar een uitweg uit de ellende. Zowel inhoudelijk als beeldend had die mijn een mal kunnen zijn waarin de Toren van Babel werd afgegoten. Ik droom er van om ooit in de woestijn van Arizona een replica van de onderste trap terug te vinden. Restant van een begin deze eeuw aangevangen werk door een stinkend rijke treinmagnaat die de duizenden Chinezen die hij in dienst had om de oost-west verbinding aan te leggen naderhand gebruikte om de Toren op ware schaal na te bouwen, maar door de dood werd ingehaald. Hoewel het schilderij een aanklacht is tegen overmoed en ijdelheid haalt het, door zijn perfectie, juist die twee karaktereigenschappen in een mens naar boven. Het is misschien het enige schilderij uit de geschiedenis van de westerse kunst dat het je zou willen nabouwen, en dat het ook waard is om nagebouwd te worden. Het is het enige schilderij waardoor ik ooit, er naar kijkend, tranen voelde opwellen. In juli 1998 sprak ik de schilder Niels Staal op een opening van wat minder geslaagde moderne kunst. We bekenden onze onvrede tegen elkaar en haalden nog maar een biertje. Halverwege deze tweede fles kwam het gesprek toevallig op Bruegel. Ik herinnerde me op een tentoonstelling een schilderij van hem te hebben gezien waarin hij de Toren had verwerkt. De Toren bleek ook een van Niels' favoriete schilderijen en de beschrijving die hij gaf van zijn eerste confrontatie met het schilderij leek sterk op mijn verhaal. Plotseling spraken we, in weerwil met de thematiek van het schilderij, dezelfde taal. "Het Mooiste schilderij ter Wereld," zei ik overmoedig. "Zeker weten," zei Niels, nam nog een slok, en zei: "waarschijnlijk." Het werd ons duidelijk dat we een missie hadden. Twee dagen later in de trein vertelt Niels dat hij eigenlijk helemaal niet van andere schilderijen van Bruegel houdt. "Vooral de mensen die hij schildert, daar haak ik nogal op af." Ik haal het boek met het complete werk van Bruegel tevoorschijn en probeer hem, al bladerend en repoducties voorschotelend, van het tegendeel te overtuigen. Ik ben een fan. Niels twijfelt, en merkt op dat die paar andere schilderijen die hij bij nader inzien goed vindt geen van allen nadrukkelijk mensen afbeelden. Ik begin ook te twijfelen. Ik probeer te herinneren wat ik, begin dit jaar in Wenen tijdens een grote overzichtstentoonstelling van de Vlaamse Reus, los van een gevoel van ontroering, nou echt had gedacht. Teleurstelling bij sommige iets te anekdotische en boerse, voor place mats bestemde taferelen, maar toch ook verbijstering over het grote, in zijn schilderijen nauwelijks herkenbare genie dat Triomf van de Dood, De Preek van Johannes de Doper, De Aanstaande Dag, Jagers in de Sneeuw en de onovertroffen Toren van Babel schilderde, het schilderij waar we nu naar op weg zijn, in een poging het gevoel van ontroering en zelfs ontreddering dat wij beiden hadden toen we het de allereerste keer zagen te doen herleven. Op zoek naar het Mooiste Schilderij ter Wereld. Ik geloof dat een schilderij als 'Triomf van de Dood' met geen enkel schilderij uit de twintigste eeuw valt te vergelijken. De Guernica steekt er schamel bij af als een snelle schets en is bovendien te politiek beladen om dezelfde mystieke overtuigingskracht te hebben. In zijn gelaagdheid is het misschien alleen te vergelijken met een paar films. Maar waar Bergman, Tarkovskij en nog een paar van hun kaliber, er kilometers celluloid en soms ondragelijk zwaarmoedige en pathetische scenes voor nodig hadden, lukt het Breugel hetzelfde en meer te zeggen op nog geen twee vierkante meter. Het lijkt wel of de Dood, na Bruegel, inderdaad getriomfeerd heeft. Niet alleen zoals het uiteindelijk over alles triomfeerd - simpelweg door af te wachten - maar omdat het in de vorm van haast en vluchtige aandacht bezit heeft genomen van de psyche van de moderne mens. Brueghel leefde, achteraf gezien, in een bijzondere tijd. Hij was, in meerdere betekenissen, een modern mens. Hij leefde een wereld die reeds uitkeek op de nieuwe tijd maar nog zwaar verankerd was in de oude. Zijn werk zit vol klassieke middeleeuwse anekdotes, maar is tevens zwanger van visioenen van een andere tijd. Hetzelfde zou je kunnen zeggen van zijn techniek. Die is soms hoekig en formeel en dan opeens weer schokkend modern en virtuoos. Hij kon met andere woorden putten uit de uitgekristalliseerde traditie van de Middeleeuwen en terzelfdertijd gebruik maken van de nieuwste technieken en ideeën die de voorbode waren van een nieuwe wereld. En de nieuwingheid van de "nieuwe wereld" kunnen we niet makkelijk overschatten. Begin zestiende eeuw stond de wereld werkelijk op zijn kop. Absolute waarheden werden, voor het eerst in honderden jaren ter discussie gesteld. Het beeld van de wereld en de mens werd driftig geherformuleerd. Het individu kreeg voor het eerst in lange, lange tijd een duidelijk herkenbare stem. En in Vlaanderen woonde een man met een lange baard. En dat hij een baard had is bijna het enige dat we over hem met zekerheid weten. Aangekomen in Rotterdam bekijken we, alvorens het museum te betreden, in een café een aantal reproducties van Bruegel uit het Complete Werk. De Toren blijft het meest monumentale schilderij van allemaal. Bruegel heeft voor zover we weten twee versies van de Toren van Babel geschilderd. De eerste uit 1563 hangt in het Kunsthistorisches Museum Wenen. Het is een beduidend mindere versie. Niels noemt het een decor voor een tafereeltje. Namelijk de verschijning van Koning Nimrod en zijn gevolg die de bouwwerkzaamheden komt bekijken, een gebeurtenis die overigens niet in Genesis 11:1-9 te vinden is, maar in hoofdstuk 9 van De Geschiedenis van de Joden van de verromeinste Joodse historicus Flavius Josephus. We bladeren een paar keer heen en weer tussen de Weense en de Rotterdamse versie. "De Weense versie is minder dramatisch geschilderd, omdat het niet nodig was. De mannetjes op de voorgrond dragen het verhaal," stel ik. Niels beaamd dat en stelt dat juist het weglaten van herkenbare personen de Rotterdamse versie zo goed maakt. "Het is één beeld. En hoewel het een vrij complex bouwwerk is, snapt iedereen die het ziet dat dit verhaal niet goed af kan lopen. De wolken zijn bij ons ook beter trouwens." En dat is waar. Waar ze er in de Weense variant achteraf met witkalk overheen lijken te zijn geschilderd omsingelen ze in Rotterdam de Toren natuurlijk gracieus en dreigend, alsof de toorn van God er al in wordt aangekondigd. Terwijl zich boven museum Boymans eenzelfde dreigende lucht samenpakt betreden we het museum en wandelen naar de eerste verdieping. Zenuwachtig en een beetje onzeker. Zal het schilderij wederom zoveel indruk op ons maken als het de eerste keer deed? Onderweg passeren we een prachtig houten beeldje. "Judas bij de Hogepriester" uit 1623, afkomstig uit het Gelders Kleefs Atelier. Klein, beheerst, ambachtelijk en absurd realistisch. Een echte killer. Verraad loont, in ieder geval in dit geval. Vervolgens moeten we ons een weg banen langs vele vroeg Romantische schilderijen en gezamenlijk verzuchten we dat er een derde optie zou moeten zijn: iets dat tussen bewaren en weggooien in ligt. "Er blijft uiteindelijk toch heel weinig over," zeg ik somber. Dan schiet me plotseling iets te binnen. "Is het jou wel eens opgevallen dat er in Middeleeuwse schilderijen nooit kunstlicht voorkomt?" vraag ik aan Niels. "Dat er, met andere woorden, enkel en alleen bij daglicht werd geschilderd?" Niels twijfelt beleefd en weet niet of ik gelijk heb. Maar de gedachte en de mogelijke verstrekkende gevolgen van de introductie van kunstlicht in de beeldende kunst blijven mij bezig houden. "Dus er was geen kunstlicht, en de kunstenaar was altijd op de achtergrond. Misschien dat dat wel de verklaring is voor de aantrekkingskracht van bijvoorbeeld Middeleeuwse religieuze kunst; het is altijd daglicht en vaak mooi weer, je bent altijd buiten of hebt uitzicht op een landschap via een raam om de aanwezigheid van voldoende licht in een schilderij te verklaren, en je kan naar de afbeelding kijken zonder dat je indirect wordt afgeleid door de psyche van de kunstenaar." Onze voetstappen klinken hol. Nadat we al een paar keer met de stelligheid van regelmatig terugkerende toeristen hebben beweerd dat het zaaltje zeker aan die -nee aan die- kant zou liggen lopen we er uiteindelijk bijna aan voorbij. Dat is misschien mede te verklaren door het feit dat het zaaltje, wellicht sinds de komst van het onlangs aangekochte schilderij van Van Dalem, een grote beurt heeft gehad. Allebei herinneren we ons een wat smoezelig achterafzaaltje, niet de kraakheldere kleine tempel die we nu betreden. Maar daar tegen de achtermuur hangt toch echt, glorieus in het midden, het elke keer weer opvallend kleine schilderij waarnaar we op zoek zijn. Een tweede tegenvaller. Wederom weten we allebei zeker dat de Toren vroeger een beetje uit het midden hing. Groezelige zaal, een beetje uit het midden: op de een of andere manier de juiste presentatie voor het Mooiste Schilderij van de Wereld. Ik blijf beheerst nog even wat bij de Van Dalem kijken terwijl Niels al op de Toren afloopt. "Nou, als je er op afloopt werkt het wel weer," zegt hij. Ik volg hem en inderdaad: met elke stap die je zet wordt het schilderij beter, totdat je er met je neus bijna tegen het glas pal voor staat en je alleen nog maar door middel van concentratie verder in kan zoomen. Minutenlang staan we voor het schilderij en spreken af en toe plichtsmatig tegen de ongeduldig ruis opnemende walkman. Ik: "Zou iemand ooit wel eens geteld hebben hoeveel mensen er op het schilderij staan afgebeeld?" Niels: "Ongetwijfeld. Hoeveel denk jij?" Ik schat, overmoedig, tweeduizend. "Ik vind het mooi dat je niet kan zien waarmee ze precies bezig zijn," zegt Niels," al die mensen in de weer op dat reusachtige bouwwerk; het lijkt een geheel organisme." "Een spektakelfilm," vul ik aan. En zo is het. Je kan blijven kijken naar dit schilderij. Eindeloos. Alles, van de meest bescheiden kalksjouwer tot de talloze schepen in de haven, de processie die op de derde verdieping aan de gang is en de boerderijen en landerijen in de verte, alles is zichtbaar en herkenbaar en terzelfdertijd volledig abstract, als in een droom geschilderd. Het blijft een raadsel hoe de voorstelling van zo'n gigantisch bouwwerk zo intiem kan zijn. Ik vraag Niels of hij snapt, als collega, hoe Bruegel dit geschilderd heeft en hij bekend dat hij daar nooit over heeft nagedacht. Wel merkt hij op dat het perspectief raar is en dat hij mede het goede van het schilderij vind dat het met een reusachtige groothoek lijkt te zijn geschilderd. De Toren is rond, maar in zeker zin ook bol. Dan zien we dat het houten paneel waarop het geschilderd is ook een beetje bol staat. Ik vertel Niels dat ik al heel lang het idee heb dat er ergens in op de Toren, tussen die honderden bezige mensjes, een moord wordt gepleegd, maar dat ik de moordenaar tot op heden niet heb kunnen betrappen. Dat idee zorgt er voor dat we nog aandachtiger kijken en het kleurverschil tussen de basis en de top van Toren ter sprake komt, waarvan Niels de oorzaak weet te herleiden tot weersinvloeden: "De eerste vijf verdiepingen zijn al verweerd door wind en regen." Heel even krijg ik weer dat plechtige en blije van de allereerste confronatie met de Toren, maar het is een vluchtig gevoel en ik moet ook toegeven dat het een geleend gevoel lijkt. Ook Niels bekent dat hij erg zijn best moet doen om de eerste indruk te herleven. "Het moet je toch overvallen." En dat is toch het slechte nieuws van vandaag. Het effect van Beeldende Kunst is toch altijd weer bijna nul. Bij muziek is tien keer luisteren hetzelfde als tien keer janken, terwijl beeldende kunst vanuit haar discipline een veel ingetogener en beschouwlijker karakter heeft en zelden een arena is voor maagverkrampende emoties. Ik zie weer het beeld van de Braziliaanse goudmijn voor me en bedenk dat het een wrede God moet zijn die de mensheid niet, een paar duizend jaar later, omwille van dit schilderij weer hun gemeenschappelijke taal heeft teruggegeven. Ik kijk boos om me heen en zie dat een exotisch ogend (Braziliaans?) echtpaar nu met hun neuzen tegen het schilderij gedrukt staat en ik luister naar de zangerige verwondering in hun stemmen en moet bekennen dat ik me heb vergist. In God, in Bruegel en in mijn snelle conclusie. De Toren van Babel ís het Mooiste Schilderij ter Wereld en de kleinzielige God van de Joden hééft zich een paar duizend jaar later bedacht. Dit kleine schilderij, dat alle talen spreekt, is daarvan het bewijs. Dick Tuinder, 1997. back<<< |
copyright 2001 dick tuinder / silent woods industries